De lont in het kruitvat – door Femke Roobol

Leiden, 12 januari 1807

Matthias stak het scalpel door de buikwand van de dode man. Het mesje ging gladjes door de groenachtige huid en de vetlaag. Hij ademde door zijn mond en probeerde de stank van verrotting te negeren.
‘Niet slecht voor de eerste keer.’ Gerard Sandifort, leraar ontleedkunde, bestudeerde de incisie. Hij keek over zijn schouder in de richting van de openstaande deur. ‘Je vader kan trots op je zijn, Moeriaanse. Een mooie, rechte insnijding. En je bent tenminste niet flauwgevallen.’
Matthias draaide zich om.
Zijn vader draalde in de deuropening. Het donkere haar viel over zijn voorhoofd, de groenbruine ogen stonden geamuseerd. Een mondhoek was opgetrokken in een scheve grijns. Natuurlijk was hij naar de les gekomen om Matthias te controleren.
Zuchtend graaide Matthias zijn spullen bij elkaar: het leren etui met de verschillende mesjes dat hij van zijn ouders had gekregen, een boek over ontleedkunde en zijn hoed. Een van zijn jaargenoten leunde met een wit weggetrokken gezicht tegen de muur. Hij gaf hem een bemoedigend knikje. Met grote passen liep hij door de snijzaal. Zijn vader blokkeerde de enige uitgang.
‘Pardon,’ zei Matthias. Hij sprak het op zijn Frans uit en de trotse grijns op het gezicht van zijn vader verflauwde. De eerste acht jaar van zijn leven had Matthias in Parijs gewoond, voordat het gezin met het Franse leger was teruggekeerd naar de republiek. Iedere nacht bracht hij in zijn dromen een bezoek aan die grote stad met haar hoge huizen en kronkelige straten. Het brede lint van de Seine meanderde door zijn brein. Hij dwaalde door een immense kerk, een wolfshond op zijn hielen. Hij liep aan de hand van zijn vader, ze dronken siroop en aten taart in een van de theesalons. Als hij wakker werd, verwachtte hij de lichtgroene muren te zien van hun Parijse woning in plaats van het kamertje onder de hanenbalken in het huis aan de Langegracht, dat klein en benauwd aandeed. Heel Leiden was hem te bescheiden en bekrompen. Het voelde niet als een stad, eerder een uit de kluiten gegroeid dorp met een te kleine, te dichtbevolkte kern. Zelfs na twaalf jaar dacht hij nog steeds vaker in het Frans dan in zijn eigen moedertaal.
Papa ging opzij. ‘Matthias…’ zei hij.
Matthias aarzelde. Hij bleef staan en hoorde Sandifort zeggen dat hij dacht dat Matthias het ver zou schoppen als hij zo doorging. Terwijl de twee mannen met elkaar praatten, maakte Matthias van de gelegenheid gebruik om weg te glippen. Soms was het eerder een vloek dan een zegen dat hij hetzelfde beroep had gekozen als zijn vader.

Vanmorgen vroeg, tijdens het ontbijt, had hij eruit geflapt dat hij zijn opleiding wilde afmaken aan de Sorbonne. ‘Ze hebben er een goed onderzoeksprogramma, papa. Daarnaast wil ik graag praktijkervaring opdoen in het Bicêtre.’
‘Geen sprake van,’ had zijn vader gezegd. Hij legde het mes neer waarmee hij net een stuk brood had afgesneden, maar hij had niet het fatsoen om Matthias aan te kijken.
‘Waarom niet? U bent in uw jonge jaren naar Engeland geweest. Moet ik dan hier in dat suffe gasthuis blijven hangen in plaats van de kans te krijgen om in een groot ziekenhuis te werken? Ik ken de taal al.’
‘Het Bicêtre is een prima ziekenhuis, daar heb je gelijk in. Maar het St. Thomas in Londen, waar ik ook heb gewerkt toen ik zo oud was als jij nu, is even goed. De stad is veel schoner en indrukwekkender dan Parijs. De mensen zijn er niet zo onbeschoft. Ik zou mijn oude leermeester kunnen schrijven…’
‘Nee,’ zei Matthias. ‘Ik wil niet naar Londen.’
Ze staarden elkaar aan. Matthias sloeg als eerste zijn ogen neer.
Maman gaf een kneepje in zijn vaders hand. ‘Misschien moet je hem even laten uitpraten, Severijn.’
‘Je kent Parijs toch, Nel.’
‘Ik neem aan dat er wel wat is veranderd sinds wij er woonden.’ Maman wierp Matthias een snelle blik toe. Hij leunde achterover in zijn stoel, zijn moeder leek in ieder geval op zijn hand te zijn. Waarom was zijn vader zo terughoudend?
Ineens doemden de bloedrode armen van de guillotine voor Matthias’ geestesoog op. Hij zag het hoge schavot, hoorde de karren over de keien ratelen. Papa en maman hadden jarenlang vastgezeten in Frankrijk, midden in een revolutie die hen niet alleen in gevaar had gebracht, maar waarvoor ze zelf niet eens hadden gekozen. Misschien was dat de reden waarom zijn vader moeite had met het idee dat zijn oudste zoon naar Parijs wilde, zelfs al waren de Nederlanden tegenwoordig een vazalstaat van keizer Napoleon.
Hij knipperde, het beeld van de guillotine verdween. Of kwam het omdat híj, Matthias, het vroeg? Wanneer Olivier, zijn jongere broer, een idee had, werd daar in het algemeen positief op gereageerd. Het was alsof zijn vader Matthias niet vertrouwde. ‘Ik vraag alleen of u mijn reis wilt financieren.’
‘Ik zei nee.’ Zijn vaders ogen kregen een harde uitdrukking. Zo keek hij nooit naar Olivier. ‘Misschien als je wat harder studeerde en wat minder de bloemetjes buitenzette, zou ik het in overweging nemen.’
Matthias balde zijn vuisten. ‘Heeft u het over eergisteren? Het spijt me dat ik iets te veel had gedronken.’
‘Iets te veel? Je kon het gemak niet halen, je bed was een grote smeerboel. En je moeder maar wassen…’
‘Gewoon een beetje lol met de andere jongens, na een tentamen! Man, u doet of u heiliger bent dan de paus. Nooit een druppel alcohol… het is zielig. Wij mogen geen plezier hebben omdat u droog wilt staan. De zelf kastijdende flagellanten in het Middeleeuwse Italië waren nog minder star.’
‘Matthias!’ Maman schudde haar hoofd.
Papa zweeg, schonk zichzelf een kop koffie in. Met trillende vingers legde hij het servet op zijn schoot recht.
Matthias gaf op. ‘Kunnen we het er vanavond nog een keer over hebben, s’il vous plait?’
‘Ik wil best een reis naar Engeland bekostigen. In het St. Thomas bijvoorbeeld…’
Matthias rolde met zijn ogen. ‘De Sorbonne en het Bicêtre. Ik wil niets anders.’
‘Dan zijn we uitgepraat.’ Zijn vader smeerde honing op zijn snee brood.
Matthias rende de trap op naar de zolder. Hij ging op zijn bed liggen, waar hij naar het plafond staarde. Telkens weer zeiden mensen dat hij en zijn vader zo op elkaar leken. Zelfs de kleur van hun ogen en haren was gelijk. Maar soms voelde het of hij mijlenver van papa af stond en hoe hard hij zijn best ook deed, niets leek goed genoeg te zijn. Tranen prikten, hij duwde zijn vuisten tegen zijn gesloten oogleden.
Kwam maman maar naar boven zoals ze vroeger deed toen hij nog klein was en voor straf naar zijn kamer was gestuurd. De blik in haar ogen was nooit anders dan liefdevol en als ze met haar duim zijn wang streelde en een kus op zijn voorhoofd drukte, was de wereld weer zoals die moest zijn. Ingespannen luisterde hij, maar hij hoorde haar voetstappen niet op de krakende traptreden.
Zijn vader en hij zouden eigenlijk naar elkaar moeten toetrekken. Ze hadden dezelfde interesses en dachten op dezelfde manier. Het was niet alleen dat Matthias in zijn voetsporen wilde treden, de belangstelling voor geneeskunde ging dieper. Het kwam van binnenuit, de nieuwsgierigheid naar de werking van het menselijk lichaam, de voldoening als het lukte om een patiënt te helpen.
Hij herinnerde zich het moment waarop hij had geweten dat hij werd bevangen door dezelfde koorts als zijn vader, het ogenblik waarop de mensen die hij hielp belangrijker waren dan de kwetsuren die ze hadden.
Een bedelaar had zijn hand opgehouden toen Matthias en zijn vader uit een van de gevangenissen waren gekomen. De vodden om zijn broodmagere lijf roken naar de Seine in de zomer, alsof hij werkelijk in de rivier had gelegen. Matthias had zijn halsdoek tegen zijn mond gedrukt, maar zijn vader was blijven staan en had zich voorovergebogen. Hij had opgemerkt dat de man een lelijke hoest had die onderzocht moest worden. De ogen van de bedelaar gingen een stukje wijder open, alsof hij niet kon geloven dat een onbekende zo vriendelijk tegen hem was. De meeste voorbijgangers negeerden hem of ze drukten een munt in zijn hand. Papa had de man geholpen op te staan en hem meegenomen naar het voorportaal van de gevangenis. Na een kort onderzoek, stuurde hij Matthias naar de wachters om een bord soep te halen. Toen hij was teruggekomen met een dampende schotel had de man goedmoedig een tikje tegen de wang van Matthias gegeven. Zijn ogen waren mooi en heel blauw, met lachrimpels in de hoeken.
Later had Matthias gevraagd waarom papa geen mosterdkruid had voorgeschreven zoals hij meestal deed als iemand het op de borst had. ‘Soms is het onnodig om medicijnen te geven,’ had zijn vader gezegd. ‘Hij was niet echt ziek, hij wilde alleen maar dat we écht naar hem keken.’
Natuurlijk begreep Matthias destijds niet precies wat papa bedoelde, hij was nog te jong geweest. Maar het voorval was hem altijd bijgebleven en het had hem getoond wat voor soort mens en arts zijn vader was.
Het was daarom nog teleurstellender dat Matthias de afgelopen jaren het gevoel had gekregen dat hij voortdurend met een kritische blik werd bekeken en dat de verhouding met de man die hij nog altijd bewonderde om zijn werk, gespannen was geworden.
Toen hij de staartklok in de salon negen uur hoorde slaan en het tijd was om naar ontleedkunde te gaan, sloop hij naar beneden in de hoop zijn ouders te vermijden. Beneden in de gang hoorde hij zijn moeders stem. ‘Dat was onnodig, Severijn. Waarom ben je altijd zo hard voor hem?’
‘Hij heeft het nodig. Zoals hij zich gedraagt, het gaat de foute kant op. Olivier is…’
‘Je kunt die twee niet met elkaar vergelijken. Denk aan jezelf. Jij was ook geen lieverdje op die leeftijd.’
‘En mijn vader heeft me er behoorlijk voor gestraft. Bovendien, als ik in Leiden was gebleven, had ik eerder uitgevogeld hoe verliefd ik op je was.’
‘Nee, niet van onderwerp veranderen. We hebben een serieus gesprek over je zoon.’
‘Míjn zoon?’
Het was alsof een koude hand zich om Matthias hart sloot. Wat bedoelde zijn vader? Hij wachtte het antwoord van zijn moeder niet af, maar glipte zo snel mogelijk het huis uit.

Iets na vieren verliet Matthias het Academiegebouw en liep hij het Rapenburg op. Hoog boven hem gleden inktzwarte wolken voorbij, in het tanende winterlicht glinsterde het water van de gracht. De meeste ramen van de statige huizen waren nog donker op een enkele kaars na in de vensterbank. Hij staarde een ogenblik naar het klotsende water tegen de walkant van de gracht voordat hij iedere gedachte aan zijn ouders van zich afschudde.
Op de hoek van de straat stond hij stil. Zou hij naar links of naar rechts gaan? Rechts was de verstandige keuze. Maman zou binnen afzienbare tijd de avondmaaltijd klaar hebben, maar hij had geen trek. Hij wist nu al dat het een stijve, ongemakkelijke avond zou worden in het gezelschap van zijn vader. Linksaf leidde naar de herberg van Johannekes ouders. Soms hielp ze in de bediening. Ze was lichtblond, bijna wit. Haar ogen hadden de kleur van leisteen.
Hij kreeg het warm.
Voor hij een besluit had genomen, flitste er iets in de lucht en ineens leek het alsof de hemel in vuur en vlam stond. Er klonk een rommelend geluid, zoals op een hete zomerdag. Verbijsterd staarde hij omhoog. Het verwarde hem, omdat er net natte sneeuw neerdaalde. Hij dook dieper weg in de kraag van zijn jas. Er klonk een harde knal, instinctief hield hij zijn handen beschermend boven zijn hoofd. De muren van de huizen leken heen en weer te schudden. Hij had nog nooit zoiets gezien. En waardoor werd het veroorzaakt? Hij moest hier weg, voordat de bakstenen naar beneden zouden rollen als een lawine van een besneeuwde bergtop. Nog voor hij een stap had kunnen zetten, sprongen ramen rinkelend aan scherven, hij hoorde mensen gillen. Daarbovenuit hoorde hij een harde schreeuw en hij besefte dat die uit zijn eigen mond kwam.
Matthias viel op zijn knieën. Met stijf dichtgeknepen ogen bleef hij zo een hele tijd zitten.
Toen hij eindelijk durfde op te kijken, zakte zijn mond open. Hele gaten zaten er tussen de woningen, waar de muren gestaan hadden, waren nu alleen nog rokende puinhopen. Hij voelde iets kleverigs op zijn gezicht, het rondvliegend glas moest hem hebben geraakt, maar hij had niets gevoeld. Hij keek naar zijn handen, ze waren bevlekt met bloed. Met enige moeite ging hij rechtop zitten, probeerde zijn armen en benen te strekken en te buigen. Alles leek het nog te doen en voorzichtig, een beetje duizelig, stond hij op.
‘Gaat het?’ vroeg een man. Matthias wist niet waar hij vandaan kwam. Een laag stof bedekte schouders en gezicht, de wimpers waren wit. Matthias knikte. ‘Weet u wat er is gebeurd?’
‘Geen idee. Ik hoorde alleen een harde knal…’ De man rende verder.
Matthias keek om zich heen. Hij hoorde geschreeuw en gekerm. Hoeveel mensen zouden er onder het puin liggen? Hij aarzelde. Zijn hart bonkte in zijn keel. Opvoeding en opleiding wonnen het van de angst. Als zijn hulp ooit nodig was geweest, was het nu wel. Er rolden nog altijd stenen naar beneden. Met een plof stortte er nog meer gevels in, met een kreet sprong hij opzij. In zijn eentje kon hij weinig beginnen. Papa zou wel weten wat te doen. Ja, hij zou hem gaan halen, dan konden ze samen misschien iets betekenen voor de gewonden. Hij haastte zich in de richting van de Steenschuur.
Hij had nog niet zo lang gelopen toen zijn vader hem tegenhield bij zijn schouders.
‘Gelukkig, daar ben je! Je bloedt.’
‘Wat is er gebeurd, papa?’
‘Er is een schip met buskruit ontploft in de Steenschuur. Ben je erg geschrokken?’
‘Ja,’ gaf Matthias toe. ‘Ik wist niet wat het was. Alle ramen sprongen in de rij huizen waar ik voor stond. De muren schudden heen en weer alsof ze ieder moment in elkaar konden zakken. Sommige gevels…. Ik hoorde gillen…’
‘Er zijn heel wat gewonden.’
‘Maman? Olivier?’
‘Mama en Olivier hebben niets. Ik kwam ze tegen toen ik onderweg naar huis was. Ik ben meteen omgekeerd en heb de hele weg hiernaartoe gerend.’
Matthias liet zijn adem ontsnappen. ‘Ik ben blij dat ze in orde zijn.’
‘Kom mee, ik wil je onderzoeken waar het lichter is.’ Het zwakke, geelachtige winterlicht was overgegaan in de schemer. Het werd nu snel donker. Samen liepen ze naar een plek waar een aantal lantaarns waren aangestoken. Iemand had een zeildoek gespannen tussen twee half afgebrokkelde muren van een huis, het dak was ingestort en hele delen ervan waren een eind verderop geslingerd. ‘Ga zitten,’ zei papa en hij duwde Matthias op een stoel. Het verwonderde Matthias niet dat zijn vader in een mum van tijd een plek had gecreëerd waar gewonden onderzocht konden worden. De koele handen gleden over zijn gezicht, hij kon ze bijna niet verdragen op zijn huid. Zijn knie wipte ongedurig heen en weer. ‘Ik mankeer niets.’
‘Je hebt allemaal kleine sneetjes in je gezicht. Zit stil.’ Zijn vader knielde neer. Met een eindeloos geduld trok hij met een pincet glasscherven uit de wondjes. ‘Deze moet ik hechten,’ zei hij, terwijl hij zijn vingers over de huid naast de wond liet glijden.
‘Zijn er geen slachtoffers die er slechter aan toe zijn dan ik?’ vroeg Matthias.
‘Vast wel, maar je moeder vermoordt me als ik je zo laat gaan.’
Hij gaf een klopje op de schouder van Matthias. ‘Zo, klaar. Die ene snee is dieper, het zal wel een litteken worden. Je hebt geluk gehad. Dat kan ik niet van iedereen zeggen.
Matthias volgde zijn vaders blik naar een rijtje slachtoffers. Ze lagen op de kale grond, sommigen zachtjes kreunend, anderen stil, veel te stil. Hoeveel mensen waren geraakt door rondslingerend puin? Zou de herberg van Johannekes ouders nog overeind staan? Zijn mond werd ineens droog.
‘Ik moet …’
‘Ja,’ zei Matthias.
‘Ga naar huis, geef je moeder een kus van me.’ Van het ene op het andere moment transformeerde zijn vader. Hij leek te groeien, rechterop te staan. Elke porie van zijn gespierde lichaam ademde zelfverzekerdheid uit, hij pakte zijn medicijnkist vast. Hij wist wie hij was, hij kende zijn bestemming.
‘Nee, ik wil helpen,’ zei Matthias. Wat er vanmorgen ook tussen hen was gebeurd en hoe onzeker de opmerking die hij had opgevangen hem ook maakte, hij wist dat ook hij hier thuishoorde. Op de plaats van de rampplek, aan de zijde van zijn vader.
‘Het is…’
‘Zeg nou niet dat ik niet genoeg ervaring heb, papa.’
Severijn Moeriaanse keek zwijgend opzij.
‘Ik herinner me dat ik u altijd hielp in de Conciergerie in Parijs.’ Hij wist het nog. De geur van angst in de salle des morts. De veroordeelden die zichzelf iets hadden aangedaan. De hand van zijn vader die zachtjes zijn nek streelde. Het beeld van de moordmachine met de hakbijl kwam weer bovendrijven, hij schudde snel zijn hoofd heen en weer om het te verjagen.
Zijn vader knikte.

Matthias verloor alle besef van tijd. Binnen de kring van de hoog opgehangen lantaarns vernauwde en verkleinde de wereld zich. Zijn handen zochten werktuigelijk naar kwetsuren, zoals hem zo vaak was voorgedaan. Hij peuterde glasscherven uit een gehavende huid, trok hechtdraad door bloedende gaten in hoofden. Hij raakte de tel kwijt van de polsen die hij vasthield om de hartslag vast te stellen. Tientallen repen linnen wikkelde hij om armen en benen, hij betastte blauwe plekken en bulten. Na een tijdje voelde zijn mond zo droog als kurk, hij moest hoesten van het stof telkens als er dichtbij hun provisorische noodhospitaal een stuk puin naar beneden stortte. Er huilden mensen, ze gilden en schreeuwden, soms om hun geliefden, soms uit pijn.
‘Zoveel vermisten,’ zei een van de mannen die op zijn beurt zat te wachten. Zijn handen zaten onder het bloed, over zijn wang liep een diepe snee. ‘Het huis van mijn dochter en schoonzoon is ingestort. De kinderen zijn nog maar drie en één jaar. Ik probeerde te graven, maar ik haalde mijn handen open.’
‘Grote delen van de huizen aan het Steenschuur zijn volledig verwoest,’ zei een ander. Hij had een verband om zijn hoofd. ‘Zijn je dochter en haar gezin in veiligheid?’
‘Ik weet het niet.’ In de gefluisterde woorden klonk wanhoop door. Matthias keek hulpeloos opzij naar zijn vader.
‘Ik maak ze schoon en verbindt je handen. Daarna kun je hier weg,’ zei deze. ‘Ik heb gehoord dat er steeds meer hulp op gang komt. Je hoeft niet in je eentje te zoeken naar je dochter. Ik heb zelfs horen fluisteren dat de koning onderweg is naar Leiden.’
‘Dat is een goed teken,’ zei de tweede man. ‘Veel woningen hebben versteviging nodig. In de hele stad zijn ruiten gesprongen. Het stadhuis, verschillende kerken, het Academiegebouw, een weeshuis en een aalmoeshuis zijn geraakt. We kunnen alle hulp gebruiken. Er moet overal geblust worden, hier en daar is het puin nog te heet om te zoeken naar overlevenden. Alle beschikbare emmers en ladders in heel Leiden moeten bij elkaar worden gegaard.’
‘Hoeveel doden?’ vroeg de eerste man zich af.
Papa schudde zijn hoofd. ‘Het heeft geen zin om te piekeren.’ Hij legde een hand op de schouder van zijn patiënt. ‘Hier, ga even zitten. Matthias, mag ik een paar repen linnen om zijn handen te verbinden?’
De man kalmeerde en Matthias concentreerde zich weer op zijn volgende patiënt. Af en toe sprak hij troostende woorden of goot een halsoverkop klaargemaakt seditief tussen halfgeopende lippen. Al die tijd werkte papa naast hem, kalm en zonder veel woorden vuil te maken aan wat Matthias moest doen. Het was alsof een paar kleine aanwijzingen genoeg waren, alsof hij een verlengstuk was geworden van zijn vader.
Hij voelde een hand op zijn schouder. Toen hij zijn hoofd omdraaide zag hij Johanneke. Hij knipperde een paar keer, het volgende ogenblik knielde ze bij hem neer. Hij had de neiging een arm om haar heen te slaan, zo blij was hij dat ze ongedeerd was. ‘Ik heb wijn voor jullie,’ zei ze. Ze gaf hem een kroes. Hij leegde hem in een keer.
‘Dokter Moeriaanse?’ vroeg ze.
‘Dank je, nee.’ Glimlachend keek zijn vader naar hen. ‘Neem maar een pauze, Matthias, je hebt het verdiend.’
Hij volgde Johanneke naar een haastig in elkaar getimmerde kraam waarachter haar moeder zelfgebakken wafels en warme wijn uitdeelde aan de vrijwilligers die naar slachtoffers zochten onder het puin. Johanneke leidde hem naar een op schragen gezette plank die dienst deed als bank en duwde hem een van de nog warme koeken in handen. Hij merkte dat hij honger had.
Om hem heen renden mensen kriskras door elkaar, hun gezichten waren bedekt met steengruis, hun handen zwart van de rook en het gewroet tussen de brokstukken van de huizen. Johanneke kwam naast hem zitten. Ze zwiepte haar vlecht over haar schouder, een vleugje boenwas kwam in zijn neus. Ze stak haar hand uit en veegde met haar duim over zijn vuile wang. ‘Er zit een zwarte veeg op je gezicht,’ zei ze. Ze bloosde, maar haalde haar hand zelfs niet weg toen Matthias even tegen de warme huid van haar palm aanleunde.
Haar moeder riep haar en ze stond weer op.
Matthias volgde haar met zijn ogen. Haar schone, witte schort stak helder af tegen al het vuil en de puinhopen. Ze glimlachte naar iedereen, maar haar lach was het stralendste toen ze omkeek naar hem.
Hij voelde zich in meerdere opzichten gesterkt toen hij zijn plaats weer innam. Zijn vader gaf hem een knipoog. ‘Ik dacht dat je daar wel zou blijven.’
Hij bloosde. ‘Er is nog veel te doen.’

Na uren oplappen, verbinden of een enkele keer alleen de hand vasthouden van een slachtoffer dat het niet haalde, sloeg bij Matthias de vermoeidheid toe. Hij rekte zich uit, en verliet zijn post om Johanneke op te zoeken.
Hij vond haar niet. Maar tot zijn verbazing vond hij wel Lodewijk Napoleon, die naar de omvang van de ramp stond te kijken. De gouden tressen op zijn schouders schitterden in het licht van de lantaarns. Hij hield een kind in zijn armen, en praatte met de ontredderde moeder.
Matthias staarde naar hun staatshoofd, de broer van de Franse keizer. In rap tempo gaf de koning zijn bevelen: soldaten zouden gaan helpen met puin ruimen en het zoeken naar overlevenden. Omdat de meeste bakkerijen in de stad getroffen waren, kwam hij met het idee om bakkers in Delft broden te laten bakken. Een noodhospitaal zou worden ingericht op Huis ten Bosch in Den Haag.
‘Onze vorst?’ Papa kwam naast Matthias staan. ‘Ik had niet gedacht dat hij werkelijk zou komen.’
‘Waarom haat u de Fransen zo?’
‘Ik haat hen niet. Maar ze hebben me een aantal keren in de steek gelaten, ik vertrouw ze niet meer.’
Daar kon Matthias inkomen.
Zijn vader haalde een zilveren snuifdoos tevoorschijn en bood Matthias een snuif aan. ‘Je hebt het goed gedaan, vanavond.’
Matthias nam een flinke pluk tussen duim en wijsvinger. ‘Bedankt,’ zei hij. Zijn wangen gloeiden door het onverwachte compliment. Hij glimlachte en snoof de kruidige tabak op.
‘Meende je het vanmorgen?’ vroeg zijn vader.
Hij knikte.
‘De Sorbonne en het Bicêtre, hè?’
Hij knikte nog een keer.
Johanneke liep langs en knipoogde naar hem.
‘Hm, wil je niet liever in Leiden blijven?’
‘Papa…’
Zijn vader kneep in zijn arm. ‘Ik weet waarover ik praat. Je moeder en ik hebben veel tijd verloren, destijds.’
‘Ik heb genoeg tijd,’ zei Matthias.
‘Misschien.’ Zijn vader zette zijn hoed op. ‘Ik zal over Parijs nadenken. Maak het niet te laat, anders wordt je moeder ongerust.’
Matthias keek hoe hij tussen de rokende puinhopen doorliep. ‘Papa!’
Zijn vader keerde zich om. ‘Ja?’
‘Bedankt.’
Zijn vader tikte aan zijn hoed voor hij in het donker verdween.
Matthias liet een zucht ontsnappen. Hij pakte een lantaarn van de grond en ging op zoek naar Johanneke.
Achter hem gaf Lodewijk Napoleon het bevel om het provisorische hospitaal af te breken.

**

Genoten van het verhaal? Luister dan vooral naar het interview met auteur Femke Roobol bij ‘Historische Verhalen. De Podcast’.