Boltisjka, landgoed van de familie Rajevski, maart 1826
Ergens in huis hoor ik gehuil. Dat kan alleen maar Nikolasja zijn. Het huilen stopt meteen en ik voel een steek van verdriet als ik bedenk dat iemand anders mijn kind nu aan het troosten is.
Maman heeft het ook gehoord. ‘Wat moet er toch van dat kind worden met zijn vader in de gevangenis?’
Ik doe alsof ik slaap en gluur door mijn wimpers. Door het raam achter me schijnt een zwakke lentezon naar binnen. Kleine stofjes, afkomstig uit het dikke Perzische tapijt, dansen in het zonlicht. Ik luister naar de stemmen in de kamer. Het zijn vertrouwde stemmen, ik ken ze al mijn hele leven. Maman klinkt dichtbij, dus ze zit met een van haar borduurwerkjes in de salon aan het grote raam. Wellicht heeft ze haar gezicht naar het raam gekeerd, vastbesloten om elk moment van flauw zonlicht op deze dag tussen winter en lente, om te zetten in kruisjessteken.
‘Of misschien blijkt uit het onderzoek toch nog dat Sergej onschuldig is en vrijgelaten wordt,’ vervolgt ze na een korte stilte.
‘Vrijgelaten? Weet je wel wat je zegt?’ Aan de richting van waaruit papa zijn stem klinkt, kan ik afleiden dat hij in zijn gemakkelijke stoel naast de tafel zit. Hij doet geen enkele moeite om zacht te praten, dus ik weet zeker dat ook hij niet gemerkt heeft dat ik wakker ben. Zijn zinnen zijn kort en afgemeten, de klemtoon van elk woord op de laatste lettergreep, alsof hij zich niet met zijn vrouw en dochter in de statige zitkamer van zijn landgoed bevindt, maar weer de generaal is die zijn troepen met luide, duidelijke bevelen de linie instuurt. ‘Neenee, mijn contactpersoon bij de geheime politie zegt dat er geen enkele twijfel bestaat over Volkonski’s schuld! Het schijnt dat…’ Dan zwijgt hij en in de stilte ruik ik de scherpe geur van zijn sigaar. Op de tafel staat wellicht zijn vaste digestief na het middagmaal, brandy, aangezien het sinds Waterloo niet meer bon ton is om cognac te drinken.
Ik krimp ineen bij papa’s woorden en voel een scherpe pijn in mijn rug. Voorzichtig verander ik op de smalle divan van houding. Als ik me niet stil moest houden, zou ik nu in tranen uitbarsten. Ik wilde ze niet geloven, die geruchten over Sergej’s deelname aan die mislukte opstand tegen de tsaar waarover ze me enkele dagen geleden verteld hebben. Hij zou zich toch nooit met iets inlaten wat onze toekomst in gevaar kon brengen? Ik ben er zeker van dat hij van me houdt, ook al hebben we elkaar sinds we een jaar geleden getrouwd zijn, amper gezien. Hij droomde net als mij van een levensamen, van kinderen, van…
‘Ik had het eigenlijk ook kunnen weten,’ gaat papa verder. ‘Ze hadden me een hele tijd geleden al gewaarschuwd dat ze vermoedden dat hij ergens bij betrokken was. En het is ook niet alsof hij heeft er een geheim van maakte hoeveel bewondering hij voor die liberale ideeën had!
Nu zwijgt maman wijselijk. Ze weet maar al te goed dat dit niet het juiste moment is om papa eraan te herinneren dat hij er vroeger ook best wel redelijk wat verlichte ideeën op nahield.
Alsof hij dat geraden heeft, zegt hij zelf, ‘Ach, toen we jong waren, waren we toch allemaal liberalen? Maar een beetje filosoferen over een grondwet is nog wel wat anders dan plannen maken om de tsaar te doden. De tsaar! Alsof we niet allemaal alles aan die man te danken hebben! Ook Volkonski, al lijkt hij dat vergeten te zijn. Net zoals hij blijkbaar vergeten was dat hij een vrouw had, en een kind op komst, toen hij zich met die onzin inliet.’
Nu hij bij mij en Nikolasja is aanbeland, onderbreekt maman hem: ‘Dat denk ik niet, dat hij Masja vergeten was. Hij aanbidt haar, dat is overduidelijk, en al helemaal toen ze een kind verwachtte! Nee, ik kan niet geloven dat hij niet aan hen gedacht heeft. Misschien was hij gewoon bang om als een lafaard bestempeld te worden als hij zijn vrienden in de steek liet? Je weet toch hoe hij is, zijn eer is alles voor hem.’
‘Zijn eer! Als hij die had, zou het nooit bij hem opgekomen zijn om aan die dwaze samenzwering deel te nemen. Dat heeft niks met eer te maken, dat is verraad! Een schande! En Maria moet zo snel mogelijk afstand van hem nemen, of hij stort ons allemaal in het ongeluk met zijn zogenaamde eer.’
Afstand nemen? En Sergej niet meer terugzien? Nee, nooit! Eer of geen eer, we vinden wel een manier… Ook voor Nikolasja… Ik slik moeilijk en probeer de krop in mijn keel kwijt te raken. Ik kan van onze zoon toch niet een of andere bastaard maken?
‘Ik betwijfel of ze daarmee zou instemmen. Maar hoe dan ook, tot alle feiten van het onderzoek bekend zijn kunnen we niets anders doen dan afwachten. Want je gaat haar zeker toch niet vragen om Sergej te laten vallen voor we alle details over zijn betrokkenheid kennen? Ze is trouwens nog veel te zwak, dit is nu al allemaal teveel voor haar. Je vergeet dat zij pas enkele dagen op de hoogte is van wat wij al maanden weten! Nee, het is nergens voor nodig om daar nu over te beginnen.’
Papa zwijgt. Misschien knikt hij. Of schudt hij zijn hoofd. Of haalt de schouders op… dat kan ik niet zien. Wat het ook is, voor maman betekent het het einde van het gesprek. Ik hoor haar met ‘We zien wel als het zover is’ opstaan en naar de deur lopen. Wanneer die achter haar dicht valt, blijf ik nog even liggen. Ik denk aan Sergej. Heeft iemand eigenlijk al aan hem zélf gevraagd wat hij nu precies gedaan heeft en waarom? Misschien moet ik daar zelf eens mee beginnen? Hem vragen of hij weet wat een toestand hij veroorzaakt heeft, wat hij mij heeft aangedaan? En Nikolasja. En papa en maman. Ik zucht, rek me uit en open mijn ogen. Daar zit papa, zijn gezicht klaart op als hij ziet dat ik wakker ben. Ik ga rechtop zitten en kijk de kamer rond.
‘Masja, je bent wakker! Zoek je iets, lieverd?’ vraagt hij.
Ik denk even na, knik langzaam en antwoord, ‘Ja, mijn schrijftafeltje met papier en inkt. Ik moet een brief schrijven.’
Sint-Petersburg, Petrus-en-Paulusvesting, april 1826
Wanneer ik met Aleksej Orlov bij de brug over de Neva kom, zie ik het fort aan de overkant van de rivier liggen. De regen heeft de bakstenen van de vestingmuur donkerrood gekleurd. Achter de muur, oprijzend uit het hart van de vesting, zie ik de toren en koepels van de kathedraal en de admiraliteit. Op de gouden spits van de klokkentoren staat een engel, als een vertegenwoordiger van de God die zowel slaat als zalft.
We lopen de brug op. De natte stenen zijn glibberig en om niet uit te glijden, druk ik mijn arm steviger op die van Aleksej. Als ik me niet zo zenuwachtig voelde, zou ik erom lachen dat ik vandaag uitgerekend aan zijn arm de vesting binnen wandel. We kennen mekaar al van toen ik nog een kind was, van toen alle meisjes verliefd en alle jongens jaloers op hem waren. Aleksej is dubbel zo oud als ik – dat is ongeveer even oud als Sergej, besef ik plots – en nog altijd even knap. Op zijn donkere krullen staat een steek, zijn garde uniform steekt kleurrijk af tegen mijn zwarte mantel. Ze zeggen dat hij, met zijn bereden gardisten, de opstand in het voordeel van de tsaar beslist heeft. Dat maakt van hem een tegenstander van Sergej. Maar ach… ze zeggen zoveel en het kan me ondertussen eigenlijk niet meer schelen wie in welk kamp zit. Vandaag ben ik blij met Aleksej’s aanwezigheid.
Meer dan tien dagen heb ik moeten wachten op toestemming om de gevangenis te mogen bezoeken. Zo gauw ik in Petersburg gearriveerd was, heb ik naar de tsaar geschreven. En daarna naar iedereen die ik kon bedenken. Heeft iemand het bij de tsaar voor me opgenomen? Geen idee. Maar na tien dagen kwam wel eindelijk het verlossende antwoord. In een hartelijke, maar bezorgde brief – de tsaar kan heel grootmoedig zijn als hij daarvoor kiest – gaf hij toestemming voor een bezoek, al stond hij erop dat ik me voor die beproeving zou laten escorteren door één van zijn officieren.
Dus loop ik nu aan de arm van Aleksej Orlov naar de grote toegangspoort van de Petrus-en-Paulus vesting. Aan weerszijden staan soldaten die eerbiedig groeten als ze in Aleksej een gardeofficier herkennen. We lopen onder de poort door, dwars door de brede vestingmuur. En dan staan we aan de andere kant, op het binnenplein. Ik weet niet wat ik precies verwacht had, maar dit zeker niet: keurig gemaaide grasperken, rechte lanen omzoomd door bomen, paden met netjes geharkt grind. Is dit de gruwelijkste gevangenis van het land? Is dit de plek waar honderden mensen op hun lot of hun einde wachten? We lopen over de hoofdweg door het hart van de vesting. Links en rechts liggen gebouwen, even strak in het gelid als hun bewoners wanneer die op het grote binnenplein exerceren. En daar ligt de kathedraal. Vlak voor de kathedraal gaat Aleksej naar links. In een elegant plantsoen, omringd door bomen, ligt een zandkleurig gebouw
Wanneer we de voordeur van het gebouw naderen, zwaait die open. Een man in officiersuniform staat ons in de deuropening op te wachten. Zijn nek ligt in dikke plooien op de opstaande kraag van zijn uniformjas en hij heeft een pafferig, maar vriendelijk gezicht. Hij buigt en zegt: ‘Madame, ik ben de commandant van de vesting en ik heet u welkom in mijn woning. Het spijt me dat ik u in deze omstandigheden moet ontmoeten.’
Ik heb een beetje met hem te doen. Het is duidelijk dat hij de hele situatie even vervelend vind als ik. Hij zou wellicht nog liever naar een of ander front ver weg gestuurd worden, dan hier de gevangenisbewaker te moeten zijn van mannen die zijn medeofficieren of misschien zelfs vrienden waren.
Ik beantwoord zijn buiging met een knikje en geef mijn natte mantel aan een aide de camp die daarvoor lijkt klaar te staan. De commandant gaat ons voor naar een ontvangstkamer die sober, maar smaakvol bemeubeld is met een zwaar mahoniehouten bureau, enkele stoelen, een boekenkast en een kleine salon. Boven het bureau hangt een portret van de tsaar. Het blijft wennen om op die plek niet meer de mollige, in officiersjas gepropte Alexander te zien, maar wel zijn broer, even blond, maar slanker en met een koude blik.
Door de hoge ramen zie ik het binnenplein onder de grijze laaghangende wolken waaruit nog steeds regen valt. Hoffelijk biedt de commandant me een stoel aan. Ik ga zitten. Aleksej blijft achter me staan. Tegenover me wordt een tweede stoel neergezet.De commandant knikt in de richting van twee soldaten die naast de deur staan. Ze draaien zich om en verlaten het vertrek. Wanneer ze terugkeren, loopt tussen hen in een man met geboeide handen. Ongeschoren, vuil, met diepe groeven van ontbering op zijn gezicht. Sergej is nauwelijks te herkennen. Ik weet dat zijn trots het niet zou verdragen om mijn medelijden te zien, en ik probeer bemoedigend te glimlachen De soldaten laten hem plaatsnemen op de lege stoel en gaan weer bij de deur staan. Aleksej en de commandant begroeten Sergej koel en volgen de soldaten.
Daar zitten we. Er is zoveel dat we moeten vertellen, maar we weten allebei niet waar we moeten beginnen, dus geraken we niet verder dan het uitwisselen van oppervlakkigheden. Daarna vertel ik hoe het met Nikolasja gaat. En met mij. En met de rest van de familie. Over zichzelf praat Sergej niet. Ik zie hoe hij af en toe een blik werpt op Aleksej en de commandant, die geen woord missen van wat we vertellen. Ik snap dat hij bang is dat ze alles wat hij hier zegt, op het proces tegen hem kunnen gebruiken, maar ik móet het weten, ik moet uit zijn eigen mond horen of hij wel of niet schuldig is. Even aarzel ik nog, maar vraag dan: ‘Is het waar?’
Hij zwijgt.
‘Want als het niet waar is, en ik bid dat het niet waar is, dan wordt het echt wel tijd dat je vertelt dat het een misverstand is. Dat je ten onrechte opgesloten zit omdat je toevallig een aantal van de samenzweerders kent. Dit moet voorbij zijn, Sergej, je moet naar huis komen. Je moet een einde maken aan de schande en het geroddel en de onzekerheid.’
Hij schraapt zijn keel. ‘Masjenka’, zegt hij zacht. ‘Wees niet boos op me… maar ik vrees dat ik dat niet kan doen. Probeer te begrijpen dat ik geen keuze had. Als ik zie hoe het er in dit land aan toe gaat… Ik wil dat mijn kind kan opgroeien in een land waar hij vrij is om te doen en te zeggen wat hij wil. Ik wil een beter leven voor Nikolasja… dus ik moest wel iets doen. En als dit de enige manier was… ja, dan ben ik een rebel. Maar ik heb jou of Nikolasja nooit in gevaar willen brengen. Geloof me! Daarom heb ik mijn plannen ook nooit met je gedeeld…’Ik kan het niet helpen, maar ik kreun. Zegt hij nu echt dat het waar is? Zit tegenover mij een verrader? Mijn man? De samenzwering, de opstand, het verraad…dit betekent de doodstraf. De rest van wat hij zegt, dringt niet meer tot me door. Dit was helemaal niet het plan! Vandaag zou Sergej me vertellen dat het allemaal niet waar was. Had ik me heimelijk zelfs niet voorgesteld dat we hier samen buiten zouden wandelen? Hoe dom! Want het is dus waar. Nikolasja zal zijn vader nooit kennen. Sergej en ik worden niet samen oud. Het landgoed met de grote tuin vol spelende kinderen, samen galopperen over de steppe, de schitterende hofbals in Petersburg …ons hele leven zoals ik het me voorgesteld had, wordt me hier, in de ontvangstkamer van de commandant, ruw uit handen gerukt. Ik voel me als verdoofd. Ik hoor half hoe Sergej zegt dat hij me gauw zal schrijven, dat hij me in een brief alles zal uitleggen en dat hij er zeker van is dat ik hem zal begrijpen.
Het is de klok van de kathedraal die het middaguur slaat, die me uit mijn verdoving haalt. Ook voor de bewakers lijkt dit een sein om in beweging te komen. Aleksej Orlov loopt op ons toe en zegt: ‘Sergej Grigorjevitsj, madame het is tijd om afscheid te nemen. Ik vrees dat de toegestane tijd om is.’
Sergej knikt en gaat moeizaam staan. Nu pas zie ik hoe mager hij is; zijn hemd hangt als een veel te grote zak om zijn lichaam. We nemen een beetje hulpeloos afscheid en doen allebei alsof dit niet de laatste keer is dat we elkaar gezien hebben. Dan nemen de bewakers Sergej bij de arm en lopen ze met hem de kamer uit.
Aleksandria, landgoed van de familie Branitski, juli 1826
‘We krijgen bezoek,’ merkt tante op. Terwijl ze met haar hand haar ogen afschermt, tuurt ze naar de oprijlaan. Ik ga naast haar staan en volg haar blik. Een stofwolk aan het begin van de laan verraadt een rijtuig dat zich richting voordeur haast. Zwijgend volgen we met onze ogen het rijtuig dat tevoorschijn komt en weer verdwijnt tussen de lariksen die de oprijlaan flankeren. ‘Dan kan ik maar beter naar binnen gaan en onze gast verwelkomen.’ Ze legt haar borduurwerk neer, strijkt een denkbeeldige plooi uit haar rok en verlaat de veranda.
Ze heeft niet gezegd ‘we’, dus ik ga weer in de rieten leunstoel zitten en kijk haar na wanneer ze de veranda afloopt en in huis verdwijnt. Een bezoeker. Alweer. Dat zal wel weer een zoveelste verre familielid of vage kennis zijn die ‘toevallig in de buurt is en tante komt begroeten.’ Alsof je hier ooit toevallig in de buurt komt. Nee, stuk voor stuk komen ze mijlenver omgereden, nieuwsgierig naar de beroemde tuinen van Aleksandria. En als ze dan toch hier zijn, laten ze zich met veel plezier tantes gastvrijheid welgevallen. Want Gravin Alexandra Vasiljevna Branitskaja, voormalig hofdame van Katarina de Grote, weet hoe je gasten ontvangt.
Ik zucht. Waarom blijven ze toch niet allemaal gewoon uit mijn buurt? Want naast de tuinen en rijkelijk gevulde tafel, is sinds enkele maanden de échte bezienswaardigheid op Aleksandria; Maria Volkonskaja, de vrouw van één van de beroemde rebellen, de dochter van de grote generaal Rajevski en de schande van de familie. Oh ja, ze komen me natuurlijk allemaal vertellen hoe erg ze het voor mij en ‘die arme kleine’ vinden, maar denken ze werkelijk dat ik niet doorheb wat ze écht komen doen? Denken ze werkelijk dat ik niet weet dat elk van hen hoopt naar Petersburg terug te kunnen keren met enkele smeuïge details over mijn ellende of de laatste nieuwtjes over het proces van de landverrader? En wat kan ik daarop zeggen? Niets! Want ik weet niets. Het is nu al – hoelang? drie maanden! – geleden dat ik Sergej gezien heb en sinds die dag in de gevangenis heb ik nooit meer iets van hem gehoord. Geen woord, hoewel hij beloofd had dat hij me zou schrijven. Mijn eigen brieven zijn onbeantwoord gebleven. Als dit zijn manier is om me te vertellen dat ook hij vindt dat ik beter af ben zonder hem, had hij dat ook gewoon kunnen zeggen toen ik hem bezocht. Dat had er toen nog wel bij gekund Dan had hij Nikolasja zijn zegen kunnen geven en hadden we gewoon afscheid genomen. Voorgoed.
Tante verschijnt weer in de deuropening. ‘Masja?’
Ik kijk haar aan. Haar gezicht is een mengeling van ongerustheid en opwinding.
‘Ja?’ antwoord ik op dezelfde vragende toon.
Nog voor ze iets kan zeggen, zie ik dat de bezoeker achter haar aan de veranda op komt. Vorst Repnin-Volkonski negeert alle etiquette en wacht niet tot hij aangekondigd wordt. Hij stapt op me toe, buigt en begroet me. Hij kijkt me onderzoekend, maar vriendelijk aan.
Ik laat langzaam de adem ontsnappen die ik heb ingehouden vanaf het moment dat ik hem herkend heb. Wat doet Sergejs broer hier?
Hij negeert mijn verwarring – als hij die al opgemerkt heeft – en wendt zich tot tante: ‘Gravin, ik hoop dat u het me niet kwalijk neemt dat ik hier zomaar onaangekondigd verschijn. Ik wil u in geen geval tot last zijn, maar ik zou graag met Maria Nikolajevna spreken. Ik zal u beiden niet langer dan nodig ophouden, dat beloof ik.’
‘Ach, Nikolaj Grigorjevitsj, u bent amper binnen en spreekt al over weggaan! Denkt u dat we hier zó ver van de beschaving verwijderd zijn, dat we de Russische gastvrijheid vergeten zijn? Nee nee, komt u verder en maak het u gemakkelijk. Ik laat thee brengen.’
Zoals altijd heeft tante het laatste woord. Hij mag dan de grote vorst Repnin-Volkonski zijn, dat maakt op haar weinig indruk. Ze kijkt goedkeurend wanneer hij in de leunstoel tegenover mij plaatsneemt en verdwijnt dan weer naar binnen om de orders voor thee uit te delen.
Ik leg mijn handen in mijn schoot en probeer rustig in- en uit te ademen. Hij is toch niet helemaal naar hier gereden om… Mijn hart klopt in mijn keel en ik heb ineens teveel speeksel in mijn mond. Ik slik moeilijk en probeer me voor te bereiden op het slechte nieuws.‘Maria, ik ben blij dat ik je zie.’ Hij klinkt niet onvriendelijk, dat stelt me wat gerust. ‘En het spijt me dat ik zo plots verschijn, maar ik heb op voorhand niet over mijn komst geschreven omdat ik wilde vermijden dat ik je hier dan niet meer zou aantreffen.’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Dat ik vreesde dat je me zou proberen te ontlopen als je wist dat ik kwam.’
‘En waarom zou ik zoiets doen?’ Wat een idiote gedachte. ‘Integendeel! Ik zou naar uw komst uitgekeken hebben. Ik zou naar iedereen die me nieuws over Sergej kwam brengen, uitgekeken hebben.’ Dat klonk bitterder dan ik het bedoelde.
Hij kijkt verrast. ‘Maar, als je zo graag nieuws van Sergej wil, waarom heb je hem dan nooit geschreven?’
‘Nooit geschreven? Ik heb hem sinds mijn bezoek in de gevangenis bijna élke week geschreven! Maar op geen enkele brief heb ik een antwoord van hem gekregen.’
Hij schudt zijn hoofd en lijkt na te denken. Dan kijkt hij me niet-bergijpend aan en zegt: ‘Maria, je moet me geloven. Geen enkele brief van jou heeft Sergej bereikt. Hij is er echt van overtuigd dat je na je bezoek in de gevangenis zó teleurgesteld in hem was, dat je niets meer met hem te maken wil hebben. Hij, ik, onze zus… we hebben je allemaal geschreven. Maar omdat er nooit antwoord kwam, leek het ons duidelijk wat je standpunt was.’
‘Maar…ik…’
‘Ik heb ook geen idee van wat er precies gebeurd is, maar ik ben nu vooral opgelucht dat we het fout hadden. Dat maakt het makkelijker om het te hebben over de reden van mijn komst.’
Ik kijk hem vragend aan.
‘Het onderzoek. Het is afgelopen. Daarom ben ik naar hier gekomen, om je dat zelf te vertellen. Ook al was ik er – ten onrechte, blijkt nu – van overtuigd dat je je van de Volkonski’s gedistantieerd had. Ik vond dat ik dit aan mijn broer verplicht ben, het is wellicht het laatste dat ik voor hem kan doen.’
Zei hij echt ‘het laatste’? Het is dus zover. Het is dus voorbij. Ik sla mijn hand voor mijn mond en probeer me voor te bereiden op het vreselijke nieuws dat nu gaat komen.
Hij ziet mijn angst en begint heel snel te spreken, alsof hij een stukje uit de krant voorleest: ‘De tsaar heeft zich persoonlijk over elke samenzweerder uitgesproken. Aan bijna de helft heeft hij de vrijheid teruggegeven. De andere helft is schuldig bevonden, hun leiders zijn geëxecuteerd. Voor Sergej heeft hij zich genadig getoond. Hij wordt naar Siberië gestuurd voor twintig jaar dwangarbeid en zal de rest van zijn leven daar in verbanning doorbrengen. Zijn burgerrechten, bezittingen en titel… alles is hij kwijt. De tsaar heeft hem enkel zijn leven gelaten.’
Gelukkig heb ik nog steeds mijn hand voor mijn mond, zo kan hij niet zien dat ik hem nu zit aan te gapen. Ik durf zijn woorden niet geloven. Blijft Sergej leven?
‘En voor ik het vergeet…’ – hij haalt iets uit zijn reistas – ‘dan weet ik nu wel zeker dat je deze ook graag wil hebben.’ Hij geeft me een pakketje; een pak papier bijeen gehouden met een koordje. Mijn vingers trillen als ik het koordje losknoop. In het pakket zitten enkele kranten. En brieven. Op de bovenste herken ik Sergej’s handschrift.
‘Goed dat u blijft voor de thee, Nikolaj Grigorjevitsj, want het ziet ernaar uit dat u ons nog veel te vertellen heeft.’ Tante verschijnt op de veranda en doet geen enkele moeite om te doen alsof ze niet een groot deel – misschien zelfs het volledige – gesprek gehoord heeft.
Ik neem Sergej’s brief uit het pakketje, mompel een verontschuldiging en loop de tuin in. Ik hoor hoe achter mijn rug één van tantes bedienden op de veranda verschijnt met de samowar en het theeservies. Zo gauw ik de hoek om ben en zeker weet dat ze me niet meer kunnen zien, begin ik te rennen. Voorbij de serres, langs het pad naast de beek, en over het bruggetje bij de Chinese pagode – één van de vele exotische bouwsels in de tuinen. Bij de rotspartij waar een watervalletje uit klatert, nestel ik me tegen de warme stenen. Ik schop mijn schoenen uit, trek mijn benen onder me en begin te lezen.
‘Liefste, ik schrijf je met een vreemde rust in mijn hart – niet omdat ik vrij ben van verdriet, maar omdat ik eindelijk helder zie waarom ik dit pad moest volgen.’ Sergej schrijft dat hij me nooit verdriet heeft willen doen, maar dat hij geen keuze had. Dat hij en zijn medeofficieren, die met hun bloed betaald hadden voor de Europese vrijheid, er niet mee konden leven om in hun thuisland opnieuw geketend te worden. Dat de opstand voortkwam uit bittere desillusie omdat de tsaar de hervormingen, die hij al lang voor de veldtocht tegen Bonaparte beloofd had, uiteindelijk toch weigerde door te voeren.
‘Geloof me, Masjenka, ik heb niet gehandeld uit roekeloosheid of eerzucht. Wat ons dreef, was de overtuiging dat de mens geboren is voor vrijheid, en dat wie macht bezit, haar moet gebruiken met wijsheid en rechtvaardigheid. Wij wilden geen bloed, geen omverwerping, slechts dat onze kinderen zouden leven in een land waar de wet boven de willekeur staat. Misschien was het een dwaas geloof — maar het was zuiver.’ Hij schrijft dat hij trots is op wat hij gedaan heeft en met opgeheven hoofd naar Siberië zal vertrekken. ‘De tsaar heeft zijn oordeel geveld. Hij heeft mijn leven gespaard en ik aanvaard de straf met dankbaarheid; want hij heeft mij een kans gelaten om in eenvoud te leven tussen de boeren, die met hun arbeid dichter bij de aarde en dichter bij de waarheid leven dan wij ooit hebben gedaan.’
Ik stop met lezen en laat de brief in mijn schoot zakken. Met de zoom van mijn jurk droog ik de tranen die ondertussen over mijn wangen rollen. Ik die zo kwaad op hem was om wat hij me heeft aangedaan! Terwijl hij zich eigenlijk heeft opgeofferd voor ons… om… Dan draai ik het vel om en zie dat op de achterkant nog een laatste korte paragraaf gekribbeld staat:
‘Wat ik nog moeilijker draag dan de muren die mij omringen, is de gedachte aan jou. Je moet zelf beslissen wat je doet. Ik plaats je voor een onmogelijke keuze, en ik heb niet het recht om van je te verlangen dat je je toekomst opoffert voor een man die niets meer bezit. Maar chère amie, ik kan het vonnis van eeuwige scheiding van mijn wettige vrouw niet verdragen. Altijd de jouwe, S. G. Volkonski’.
Nu doe ik zelfs geen moeite meer om mijn wangen te drogen. Ik huil en blijf huilen. Ik weet niet hoe lang ik zo tegen de rots blijf zitten – maar het lijken wel uren. En wanneer alle boosheid, verdriet, onbegrip en angst van de afgelopen maanden eruit zijn, en ik weer rustig ben en opsta, merk ik dat de schaduwen van de rotspartij al langer worden. Vorst Repnin-Volkonski zal zich wel stilaan klaar maken om weer te vertrekken, tenzij tante hem ondertussen helemaal heeft ingepakt en overgehaald om toch tenminste tot morgen op Aleksandria te blijven.Terwijl ik terug wandel, moet ik onwillekeurig glimlachen. Voor het eerst in maanden voel ik me licht. Voor het eerst is alles klaar en duidelijk. Ik zie zó helder voor me wat me te doen staat, dat ik me helemaal niet meer kan inbeelden dat ik me deze ochtend nog zo verloren voelde.
Als ik terug op de veranda kom, zijn tante en vorst Repnin-Volkonski nog volop bezig met het uitwisselen van de laatste nieuwtjes en roddels. Ik neem zelf thee uit de samowar en ga weer in mijn leunstoel zitten.
‘Masja, daar ben je weer!’ Tante wacht zelfs niet tot ik goed en wel zit. ‘Nikolaj Grigorjevitsj vertelde net hoe opgelucht iedereen in Petersburg is dat dat vreselijke proces eindelijk voorbij is. Nu kunnen we eindelijk allemaal weer verder met ons leven. Ook jij.’
Ik drink rustig van mijn thee en zoek naar de juiste woorden.
Vorst Repnin-Volkonski vindt het niet langer nodig om te doen alsof en vraagt rechtuit: ‘Weet je al welk antwoord ik voor mijn broer mee terug mag nemen naar Petersburg?’
Nog voor ik kan antwoorden, legt tante haar hand op mijn arm en zegt bijna dwingend: ‘Haal het niet in je hoofd, Masja! Doe niet wat hij vraagt. Je gaat niet je leven en dat van je kind vergooien in Siberië.’
‘En waarom niet?’ vraag ik.
‘Dat zou je vader niet overleven. Te leven met de schande.’
‘Ik zou het een grotere schande vinden als ik mijn zoon zou moeten vertellen dat ik zijn vader, die zich opgeofferd heeft voor onze vrijheid, lafhartig in de steek gelaten heb.’
‘Maar Siberië? Kind, weet je wel dat zou betekenen? Je zou hier alles verliezen; je titel, bezittingen, familie… Niet alleen jij, óók Nikolasja! Hij zal niet meer worden dan een boer, zonder opleiding, zonder kansen. Jullie zullen in armoede moeten leven, samen met de boeren op het veld werken… Je hebt geen idee wat je te wachten staat.’
Ik drink traag mijn thee op, zet de lege kop op het tafeltje en kijk tante lang aan. ‘Misschien heb je gelijk en weet ik niet wat me te wachten staat. Maar ik weet wel dat Sergej’s lot het mijne is en ik zal het delen tot mijn laatste dag.’
Heb je genoten van het verhaal? Luister dan ook naar de podcast van Historische Verhalen, waar we met auteur Liesbeth Lemmens in gesprek gaan over de historische achtergrond en het schrijfproces.