Een bitter einde – door Anneke Scholtens

Rome, 20 december 69

Nooit eerder was keizer Vitellius in een zo eenvoudige, bijna aftandse draagkoets door het stadsgewoel vervoerd, maar hij wist dat dat nodig was om geen argwaan te wekken. Bij de achteringang van het paleis hielden zijn huisslaven stil.
‘Heer, hier kunt u ongezien binnenkomen,’ fluisterde Felix. Hij keek ernstig toen hij Vitellius uit de koets hielp. ‘Wij blijven bij u.’
Maar Vitellius schudde zijn hoofd. ‘Er zijn genoeg mensen hier om me bij te staan. Ga terug naar huis en help uw meesteres en de kinderen.’ Het laatste woord klonk gesmoord. Felix knikte en de slaven vertrokken even onopvallend als ze gekomen waren.

Vitellius draaide zich om en opende de houten achterdeur. Het voelde onwennig om als een simpele boodschappenjongen zijn eigen paleis binnen te glippen. Hij moest zelfs even goed kijken om te begrijpen waar hij precies was. De innige omhelzing van zijn vrouw en kinderen gloeide nog na op zijn huid. Spoedig zouden ze Rome verlaten.
‘Niet zonder jou!’ was de eerste reactie van Galeria geweest. Smekend had zijn vrouw haar armen om hem heen geslagen. Hun zoontje Germanicus had met grote angstogen zijn been vastgepakt. Zijn weigerachtige mond stootte als altijd onverstaanbare klanken uit.
Meestal stelde Vitellius zijn stotterende kind gerust, maar nu had hij hem alleen maar bedroefd aangekeken. Zijn dochter had zich stilletjes bij hen gevoegd, maar hij had gezien hoe ze geluidloos huilde.
Even bleef Vitellius staan en sloot zijn ogen. Hun afscheid was waarschijnlijk voorgoed geweest. Galeria en hij beseften dat allebei, maar het deed te veel pijn om dat hardop te zeggen. En dus had hij zich tegen haar aangedrukt en de geur van haar haren opgesnoven. Voor het laatst. Hij slikte.

Opeens viel hem op hoe stil het was in de gangen van zijn paleis. Zijn voetstappen klonken hol op de gladde vloer met kleurrijke mozaïeken van gladiatorengevechten. Ondanks alles kroop een weemoedige glimlach naar zijn lippen bij de herinnering aan de reactie van Germanicus, toen hij deze taferelen voor het eerst zag. Die keer bleven de woorden pas echt steken in zijn keel. Van pure opwinding kon hij alleen nog maar wijzen en verbaasd rondspringen om daarna weer met grote ogen te staren. Beelden zeiden hem honderd keer meer dan woorden.

Langzaam liep Vitellius verder door de zalen van zijn paleis. Waar wás iedereen? Hadden alle slaven zich verstopt, bang voor de naderende soldaten van Antonius? Zelfs zijn kamerdienaren? Hij opende de deur van zijn bibliotheek en keek naar de opgestapelde boekrollen in de statige kasten. Er hing een ijzige stilte, die de haren in zijn nek deed rijzen. In het tablinum gaapte de verlaten tafel met het schrijfgerei hem aan. Het plankje waarop zijn trouwe secretaris een paar dagen geleden had geschreven, lag opengeklapt, met de stilus er nog naast alsof de man elk moment binnen kon wandelen.

Een bang vermoeden dreef Vitellius in de richting van de grote keuken. Er klonk geen lawaai van kletsende en bedrijvig heen en weer lopende slaven, van schurende kratten of rammelende pannen. Er was niemand. Wel waren de sporen zichtbaar van een overhaast vertrek.

Alsof hij het nog steeds niet kon geloven, haastte hij zich naar de troonzaal. Ook daar was het uitgestorven. Zijn prachtige troon, het stralende middelpunt, stond trots en uitnodigend op zijn voorname verhoging. Maar de kaarsen die normaal gesproken aan weerszijden een kalm licht verspreidden, brandden niet. Zelfs de kaarsen voor de huisgoden waren gedoofd. Hij kneep zijn handen samen om het hevige trillen tegen te gaan.

Geleidelijk begon de naakte waarheid tot hem door te dringen: hij was alleen. Iedereen had hem in de steek gelaten. Had hij zich zo vergist in zijn dienaren? Lieten ze hem zo gemakkelijk vallen? Net als zijn volk? Massaal waren ze uitgelopen om hem te verwelkomen toen hij over de Ponte Milvio trok, zittend op een hoog wit paard. Een paar dagen geleden hadden ze gevochten als leeuwen om de soldaten van Antonius buiten de poorten te houden. En eergisteren – was het echt nog maar eergisteren? – hadden ze hem belet om afstand te doen van zijn troon. Hadden ze dan niet begrepen dat hij dat ook voor hen deed? De machtswisseling was onafwendbaar. Antonius stond met een overmacht voor de poorten van Rome en het enige dat hijzelf nog wilde, was dat er geen bloed vergoten zou worden. Maar het volk had op het Forum staan schreeuwen dat hij terug moest naar zijn paleis. De massa had hem gedwongen om hun keizer te blijven. En niet alleen de massa, ook zijn soldaten wilden niets van zijn aftreden weten. Waarom had hij überhaupt naar zijn soldaten geluisterd, toen ze hem maanden geleden in het Rijngebied naar voren duwden als keizer? Hij had dat nooit gewild, ze hadden hem overgehaald! Met een kwaaie kop liep hij op zijn troon af, beklom met koppige stappen de drie bloedrode treden en plofte neer. Bezeten van angst keek hij rond.

‘Ik moest toch jullie keizer zijn, jullie keizer blijven!’ schreeuwde hij. ‘Stelletje lafbekken! Verraders! Jullie wisten het toch allemaal zo goed? Waarom zie ik jullie nu dan niet? Waarom hoor ik jullie nu niet juichen?’ Zijn woorden weerkaatsten akelig in de lege ruimte en even kromp hij ineen bij het horen van de wanhoop in zijn eigen stem.

Mompelend zette hij zijn tirade voort. ‘Nee, nu er gevaar dreigt, zijn we allemaal vertrokken. Vitellius? Wie is dat ook alweer? We hebben toch een nieuwe keizer? Waar hangt die man uit? En hoe heet hij eigenlijk?’ Hij snoof minachtend. ‘Stelletje blinde schapen. Ach, wat zijn ze dol op hun keizer zolang hij feesten en wedstrijden organiseert, theaters bezoekt en de wagenrennen steunt.’ Het laatste stukje van zijn woordenstroom bleef binnensmonds en doofde uit als een zieltogende kaars. Onwillekeurig moest hij denken aan de haperende stem van zijn lieve kind. Als zijn gezin maar niets overkwam, Galeria, de kinderen. Waar zouden ze zijn? Hij hoopte vooral dat ze bijtijds hun woning op de Aventijn hadden kunnen verlaten.

Opeens schrok hij op. Hoorde hij soldaten naderen of leek dat maar zo? Hij stommelde weer van zijn troon af en vluchtte in paniek terug naar de keuken, waar hij de kledij van de slaven had zien hangen. Daar trok hij zijn toga uit, propte hem in de ruimte onder het fornuis en griste een smerige tuniek van een haak. De langste die hij zag, want maar weinig slaven waren zo groot en fors als hij. Maar zo zou hij natuurlijk meteen opvallen, in zijn eentje in de keuken. Hij moest zich ergens verstoppen!

In de verte blafte een hond. Kijk aan, niet iedereen heeft me verlaten, dacht hij grimmig. Hij snelde naar de portiersloge aan de voorkant van het paleis, waar de waakhond nog in zijn kennel zat. Met trillende vingers wrikte hij aan het slot van het hok. Het was zijn enige kans. Met een droge tik schoot het los.

De hond sprong tegen hem op, blij dat hij bevrijd was.

‘Nee jongen, jij mag de keizer bewaken,’ mompelde Vitellius. Hij bond het beest vast aan de buitenkant van de loge, glipte zelf naar binnen en draaide de deur op slot. Koortsachtig keek hij om zich heen. Het eenvoudige bed van de portier kwam hem nu goed van pas. Hij schoof het ledikant met het stromatras tegen de deur en liet zich op de grond zakken met zijn rug tegen de achterkant van het bed. Hij zuchtte diep en sloot zijn ogen. Stel je voor dat de soldaten gewoon door zouden denderen in de richting van het paleis. Dat ze geen zin hadden in die hond en gemakshalve het kleine portiershok oversloegen. Hij wist wel beter, maar ondanks dat voelde hij zich achter zijn barricade toch even geborgen.

Plotseling schrok hij op van opgewonden stemmen die steeds dichterbij kwamen. En weer vlamde de hoop op dat iemand hem kwam redden. Maar niemand riep zijn naam. In plaats daarvan hoorde hij hebberige kreten, die zijn hart steeds wilder deden bonken.
‘Waar zit hij?’
‘We vinden hem wel!’
‘Hij kan nergens heen!’
Voetstappen kwamen zijn kant op. Er werd aan de deur gemorreld.
‘Haal jij dat beest eens weg.’
Had hij zich juist verraden door de hond?

Er werd tegen de deur getrapt, gebeukt. De keizer hoorde het hout kraken bij iedere slag die het te verduren had. Hij verborg zijn gloeiende hoofd tussen zijn knieën en wachtte af. Schrapend schoof het ledikant over de stenen vloer van de loge. Nog een harde bons en de deur vloog open.
‘Hier zit iemand!’ klonk het.
‘De portier is er nog!’
Meteen werd Vitelllius aan zijn armen overeind getrokken. Een stel nieuwsgierige gezichten grijnsden hem aan. Een soldaat stak de punt van een dolk onder zijn kin en lichtte zijn gezicht iets op.
‘Zo vader, vertel jij maar eens waar die mooie keizer van je zit!’
Ze herkennen me niet, dacht Vitellius hoopvol. De mannen van Antonius Primus hadden hun keizer nog nooit in levenden lijve gezien. Ze kenden zijn standbeelden van de legerplaats in Pannonia, natuurlijk, maar zo goed waren die beeldhouwers nou ook weer niet.
‘Mijn meester is hier niet,’ antwoordde Vitellius schor.
‘Waar is hij dan?’ De dolk priemde nu nog venijniger in zijn kin.
‘In …’
‘Ja?’
‘In Castra Praetoria.’
De gezichten tegenover hem betrokken.
‘Dan wordt hij vanzelf gevonden.’
‘Ja, maar niet door ons!’

Plotseling drong een man zich naar voren. Een tribuun, zo te zien. Zijn bruine ogen vernauwden zich en er verscheen een argwanende trek om zijn mond. Heb genade, dacht Vitellius angstig. Hij voelde het bloed wegtrekken uit zijn gezicht. De man liet zijn ogen over de slaventuniek glijden, schatte de contouren van het lichaam eronder en keek Vitellius spottend aan.
‘Dit is Vitellius!’ Hij spuwde de woorden bijna uit.
‘Wat? Hij?’
‘Ja, dat vette lijf herken ik uit duizenden en die kop ook! Ja hoor, ik weet het zeker.  We hebben hem!’
Blind van angst hoorde Vitellius hoe het gejuich uit al die soldatenkelen snel aanzwol, toen de een na de ander begreep, dat de keizer gevonden was. Dat betekende een flinke bonus voor hen!

Vitellius slikte. Voor hem betekende het zijn doodvonnis. Hij moest tijd winnen. ‘Ik heb informatie die jullie zal interesseren,’ begon hij lukraak. ‘Het gaat over jullie nieuwe keizer.’
‘Over Vespasianus?’ De tribuun klonk niet erg overtuigd.
‘Laat mij gaan, dan vertel ik jullie over de moordenaars die op weg zijn naar het Oosten. Alstublieft, spaar het leven van jullie oude keizer en red het leven van de nieuwe.’
De tribuun luisterde niet eens. Hij draaide zich om en schreeuwde: ‘Neem hem mee naar het Forum, mannen. Dan mag hij zijn geheimpjes met het hele volk delen.’
Vitellius voelde hoe zijn handen naar achteren werden getrokken en samengebonden. Hij kromp ineen, maar paste er wel voor op iets te laten horen. Een ruw koord gleed om zijn nek en met een ruk trok een van de soldaten hem achter zich aan, als een offerdier naar het altaar.

In de verte hoorde hij gejoel op het Forum. Daar stond het volk al te wachten om likkebaardend toe te kijken hoe hij afgeslacht zou worden. Zo enthousiast als ze hem hadden binnengehaald, zo enthousiast zouden ze hem nu bespuwen en uitjouwen. Zo was het volk van Rome. Hij had het altijd geweten, maar nu hij zelf hun prooi was, smaakte dat bitter. Erg bitter.

 

Het eerstvolgende verhaal verschijnt op 28 november. Op de hoogte blijven? Volg Historische Verhalen dan op FacebookTwitter en Instagramof schrijf je in voor de nieuwsbrief.