De visser – door Ben Post

Wieringen, 1936

Het kleine, ingezakte vissershuisje van Gerrit Mulder lag verscholen achter de Wierdijk. Het stond er al sinds mensenheugenis. De rechterzijde was vermoeid naar beneden gezakt, alsof de netten die aan de dakgoot te drogen hingen te zwaar waren. Voordat ik bukte om onder de zwart geteerde balken naar binnen te gaan, snoof ik de kenmerkende geur op van pekel, vis en het door de Zuiderzee achtergelaten zilt.
Gerrit begroette me hartelijk. ‘Hoe gaat het met je verhalen, je schrijft toch nog steeds?’
‘Ja hoor, met het schrijven gaat het prima. Mijn sprookjes en volkssagen bereiken een breed publiek, mijn uitgever is tevreden. Als ik het goed heb, zijn die verhalen ook de reden waarom je me hebt uitgenodigd? Heb je iets nieuws?’
Gerrit knikte. Grinnikend hief hij een wijsvinger, alsof hem iets te binnen schoot. ‘Eerst een slokje om de keel te smeren.’ Hij draaide zich om en diepte uit een gammel kastje een paar glaasjes en een kruik op. We trokken twee leunstoelen naar het haardvuur en gingen zitten. Gerrit duwde me een glas in handen, knikte nog eens en schonk in.
Terwijl ik voorzichtig een teugje van de brandewijn nam, keek ik hem aan. Het was met Gerrit net als met zijn huisje: zo hier en daar was er iets verzakt en niet alles functioneerde meer naar behoren, maar mijn vriend weerstond de tijd. Hij mocht dan ouder zijn geworden en de groeven in zijn ronde gezicht lagen misschien iets dieper, maar hij had nog steeds dezelfde guitige blik in zijn ogen.
Mijn oude vriend was een eenvoudig man, maar in zijn lange jaren op zee had hij veel gezien en veel geleerd. Over die avonturen kon hij fascinerend vertellen. Het boeiende was dat Gerrit – als hij op zijn vertelstoel zat – feit en fictie zo prachtig kon verweven dat de toehoorder niet meer maalde om de beredeneerbare werkelijkheid. Hij vergat waar hij was en keek door Gerrits ogen in het verleden. Hij zag door het rag van herinnering en tijd.
We kwamen al snel te spreken over de veranderingen die Gerrit op het eiland had meegemaakt. Veranderingen die hem nog altijd helder voor ogen stonden: de visserij van zijn jeugd, de quarantainebarakken die hij nog gezien had en het wiervissen. We dwaalden steeds verder af naar de vroegere jaren van het eiland, tot daar waar de historische feiten eindigden en de legenden begonnen. Dorpen en nederzettingen die lang geleden door de zee waren verzwolgen waaronder: Grebbe, Gonseind en Lammoer. Oeroude verhalen die werden doorverteld van vader op zoon. Soms met een onderbreking als er een geslacht werd overgeslagen, maar daarna weer terugkomend, vaak met enige verandering.
We haalden herinneringen op aan onze jeugd, aan hoe onze vaders ons enge verhalen vertelden op de bedrand. We waren nog klein en trokken de dekens over ons hoofd alsof we de klamme zeemist echt konden voelen. Vaak gingen die verhalen over het oude kerkhof dat lang geleden was ontdekt en waar oude sarcofagen lagen die opgevist waren uit de Zuiderzee.
Bij het noemen van de sarcofagen fronste Gerrit zijn voorhoofd. Hij blies grote rookwolken uit en keek voor zich uit. ‘Ik zal je daar een verhaal over vertellen,’ zei hij. ‘Wat weinig mensen weten is dat ik misschien wel de laatste ben geweest die iets dergelijks heeft opgevist.’ Hij kwam uit zijn stoel, porde de haard nog wat op en stopte zijn pijp. We keken samen naar het oplichtende vuur dat figuren maakte op de muur van het vissershuisje.

*

‘Wat ik je ga vertellen heeft lang geleden plaatsgevonden.’ Gerrit keek peinzend naar de schaduw van de vlammen op de muur, alsof hij de jaren uitrekende. ‘Ik had de hele dag gevist ergens onder Texel, het was schitterend weer geweest. Het was al bijna avond toen ik terug wilde varen naar Den Oever. Ik had het anker uitgeworpen zodat de boot stil lag en ik wat netten kon herstellen.
Toen het werk gedaan was, ben ik rustig in de kuip gaan zitten. Ik was moe en rozig van het harde werken, na enige tijd moet ik wat zijn weggedoezeld. Een mens kan niet altijd verklaren waarom hij wakker schrikt. In elk geval ontwaakte ik met een schok. Het was later dan ik had gewild en ik wist dat ik terug moest naar de haven, voordat de duisternis zou invallen. Maar er was iets wat me tegenhield.
Misschien was het de warmte van de avond, misschien wel de stilte van de zee of de schoonheid van de ondergaande zon. In elk geval werd ik op dat moment bevangen door een mysterieuze rust die over mij neerdaalde. Niet alleen over mij, het leek wel of de zee om mij heen volledig stil was. Ik hoorde geen golfslag, maar ook geen vogelgeluiden. Niet meer het snateren van de watervogels en geen kokkende meeuwen, het was onwerkelijk stil. Ik stak een pijpje op, blies een grote rookwolk uit en keek verwonderd om mij heen naar de hemel en over de zee.
Hoe lang dit heeft geduurd weet ik niet meer. De zon zakte steeds verder naar de horizon en naarmate er meer schemering over het water dreef, kroop er onrust in mijn lijf. Ik kreeg haast. Ik besloot nu snel het anker te lichten en terug te varen. Ik trok aan de ankerketting en merkte hoe die zich strak zette, maar zonder los te komen van de zeebodem. Hoe ik ook trok en manoeuvreerde met de ketting: ik kon hem niet omhoog krijgen. Ik bleef enig tijd bezig, maar tevergeefs, ik moest het opgeven.
Moe van het sjorren en trekken ging ik in de kuip zitten en dacht na over mijn situatie. De ketting was te dik om te breken. Losmaken was ook een onmogelijkheid want de ketting liep door het dek naar de ankerbak in de voorsteven en zat daar vast in een dik blok hout. Ik overdacht verschillende mogelijkheden, maar kwam tot de conclusie dat er niets anders op zat dan de nacht hier op zee door te brengen en te hopen dat morgen een voorbijkomende visser mij te hulp kon schieten.
De zon daalde in de zee en ik voelde dat het kouder werd. Het was nog steeds windstil. Ik hoorde geen enkel geluid. Ik schreeuwde over het water om uit te proberen of ik mijn eigen stem nog kon horen. Maar wat ik hoorde was mijn angst die versterkt werd door de kilte van de vallende avond.

De duisternis viel, het was een indrukwekkende avond. Talloze sterren keken op mij neer. De volle maan verlichtte de zee en flauw meende ik een lichtbaken te kunnen onderscheiden. Het vreemde was dat ik mijn vermogen om me te oriënteren kwijt leek te zijn. Ik voelde me niet gemakkelijk in deze vreemde situatie en wist niets anders te doen dan mij in een deken te wikkelen. Ik was blij met het flesje rum dat nog in het vooronder lag.
Ik denk dat ik enkele uren wakker heb gelegen, starend naar de sterrenhemel, toen er een trage beweging in de boot kwam. De beweging kwam zo geleidelijk dat ik het nauwelijks in de gaten had. De aak begon zacht te schommelen en te wiegen alsof aan stuurboord en bakboord beurtelings gewicht werd gezet op de gangboorden van de boot.
Ik voelde een vlaag van angst door mijn lichaam trekken. Er stond geen zuchtje wind, er waren geen golven en toch schommelde de boot zachtjes heen en weer. Het was alsof iets of iemand onder het water speelde met de boot. Een koude rilling liep over mijn rug.
Na enige tijd werd het schommelen van de boot minder en stopte zelfs. Ik kon even ontspannen ademhalen totdat ik iets hoorde tikken tegen de zijkant van de boot. Het was een geluid alsof iemand met een houten hamer op de bakboord scheepswand klopte. Het geluid leek zich te verplaatsen van de voorzijde van het schip over het zwaard naar achteren. Wie of wat het ook was, bij de achterzijde van het schip aangekomen, leek het te aarzelen. Ik hoorde een zachte plons in het water en… het was weg.’

*

Mijn vriend schoof met zijn voet een houtblok naar me toe en gebaarde dat ik die op het vuur moest leggen. De vlammen schoten gretig op uit het verse hout. ‘Kijk mijn jongen, ik behoor tot een oud Wieringer vissersgeslacht dat gewend is niets te begrijpen, niets te achterhalen en niets te weten. De zee verbergt veel geheimen en niet alles kan verklaard worden. Er zullen altijd raadsels blijven.
Omdat veel schippers nog bijgelovig zijn, hangt er vaak een hoefijzer onder de helmstok. Ik ben een nuchter, gereformeerd mens. Ik geloof alleen in God en niet in spoken. Maar toen ik daar in die donkere nacht dat geluid hoorde, was ik me ervan bewust dat ik omgeven was door onbegrijpelijke dingen en de gedachte hieraan deed me ondanks de koele nacht zweten.’ Gerrit keek in de vlammen, om daarna weer verder te gaan met zijn verhaal.

*

‘Ik bad God om bevrijding van de boze machten, nam ondertussen nog een flinke slok van de rum en probeerde wat te rusten. Of het door de rum kwam of door mijn gebed is niet meer belangrijk, maar ik viel uiteindelijk in slaap. Een slaap die overging in een onrustige droom. Ik liep op de zeebodem. Het water was weggetrokken en ik kon op het wad lopen. Om mij heen was niets anders te zien dan alleen maar de natte zeebodem, met schelpen, bosjes zeegras en soms wat wrakhout.
Strompelend en soppend liep ik door de modder. Het zuigende wad probeerde zo lang mogelijk mijn benen vast te houden voordat ik die weer lostrok. Nadat ik een pas vooruit had weten te zetten, werd het gat dat mijn voet achterliet weer gevuld met water. Ik keek achterom en zag mijn spoor van zuigende stappen op het wad.
Ik moet lang gelopen hebben, want het spoor dat ik had achtergelaten verdween in de horizon. Terwijl ik door strompelde, voelde ik hoe mijn voeten steeds strakker werden vastgezogen. Hoe ik ook trok, ik kreeg ze niet meer omhoog. Mijn knieën waren inmiddels opgenomen in de zeebodem.
Angstig keek ik om me heen en begon om hulp te roepen. Nog verder werd ik naar beneden getrokken, ik was nu tot mijn middel weggezonken in de modder. Zo dadelijk zou ook mijn hoofd verdwijnen en zou er van mij nooit meer iets teruggevonden worden. De gedachte hieraan maakte mij met een schok wakker.
Het wad… waarom had ik daar niet eerder aan gedacht! Binnen een paar uur zou het eb worden en dan kon het niet lang meer duren of de aak zou droogvallen. Bij daglicht zou de boot misschien al op de zandplaat liggen en dan zou ik het anker los kunnen maken. Voor de rest was het dan alleen maar een kwestie van wachten totdat het water steeg en ik weer kon wegvaren. Ik voelde me gelukkig met deze gedachte en viel opnieuw in slaap.

Ik werd wakker in een andere wereld. De zon scheen in de kuip en het beloofde een stralende dag te worden. Met de deken nog om me heen gewikkeld keek ik over de rand van de boot. Het was laagtij en de boot lag op de bodem van de zee. Ik zag het lege flesje rum en ik dacht terug aan mijn droom. Waarom was ik niet eerder op de gedachte gekomen dat de boot zou komen droog te vallen?
Het wad zag eruit zoals het er altijd uitzag. De aak lag op de grijze modder. Zo hier en daar zag ik nog plassen water. Ik hoorde de zeevogels die me zo vertrouwd waren: kieviten, kluten en steltlopers. Er was niets meer te zien of te horen van het bijzondere en het vreemde van de avond en die nacht.
Opgetogen klom ik over de rand van de boot en liet me voorzichtig op het drassige zand zakken. Ik had mijn laarzen uitgedaan en mijn broek opgetrokken. Soppend door de zuigende modder liep ik langs de boeg van de aak op zoek naar de ankerketting. Vanaf de voorsteven kon ik de ketting volgen tot waar die in de modder verdween.
Na enkele meters verder gestrompeld te hebben, bereikte ik de plek waar het anker op het wad lag en zag dat die zich had vastgezet in een grijze massa. Ik woelde met mijn handen in de modder en voelde iets hards. Het was niet mijn anker. Voorzichtig schepte ik zand en modder weg. Niet veel later staarde ik naar de bovenkant van een stenen doodskist.
Nooit eerder ben ik zo geschrokken en nog weet ik niet goed wat ik ervan moet denken. De kist lag vastgezogen in de modder. Er was een kier tussen het deksel en de tombe waarin het anker zich had vastgezet. De sarcofaag was volgelopen met water. Verbaasd maakte ik de bovenkant van de kist met mijn handen verder schoon. Er stonden vreemde tekens op die ik probeerde te ontcijferen.
Toen ik het anker had losgemaakt en weer opstond keek ik nog even goed om me heen. Er viel mij iets op aan het zand rondom de kist. Toen ik zag wat het was, begon ik te trillen. Ik voelde een kilte optrekken vanaf het vochtige wad. De kou trok op langs mijn benen en verspreidde zich over mijn hele lichaam. Vanaf de vastgezogen sarcofaag liepen voetstappen in de tegenovergestelde richting vanwaar ik aan was komen lopen. Dezelfde soort voetstappen die ik in mijn droom had gemaakt. Diepe gaten die volgelopen waren met zeewater, maar toch nog goed te zien waren. De voetstappen bewogen zich van de kist af en verdwenen ergens in de horizon, daar waar de ochtendzon de hemel in klom.’

*

Na deze woorden werd het stil in Gerrits huiskamer. De oude visser klopte zijn pijpje uit en keek mij aan. Ik had sprakeloos geluisterd naar zijn verhaal. Zwijgend keken we even naar het haardvuur dat langzaam begon te doven.
‘Die oude sarcofaag hebben we later opgehaald en op het kerkhof gezet. Met veel moeite hebben we het deksel open gekregen, maar de kist bleek leeg te zijn. En verder…’ Mijn vriend zuchtte en gebaarde met zijn pijp. ‘Dat van die voetstappen op het wad, zoals ik al zei: niet alle dingen zijn verklaarbaar en weet je, soms moeten we het mysterie gewoon laten rusten.’ Hij kneep zijn ogen tot spleetjes. ‘Laat Wieringen maar zijn geheimen hebben.’


Het eerstvolgende verhaal verschijnt medio maart. Op de hoogte blijven? Volg Historische Verhalen dan op FacebookTwitter en Instagramof schrijf je in voor de nieuwsbrief.